Toen je zes was en iemand vroeg wat je later wilde worden, zei je geen ‘medewerker klantenservice’ of ‘junior beleidsadviseur’. Je zei brandweerman, vrachtwagenchauffeur, dierenarts of astronaut. Dingen die ertoe deden, waar je trots op kon zijn, die je wilde kunnen.
En nu? Nu heb je een functieomschrijving van twee pagina's met verantwoordelijkheden, competenties en rapportagelijnen. Niemand wordt daar enthousiast van, maar we doen alsof het normaal is dat werk zo voelt.
Functieomschrijvingen ontstonden in de jaren vijftig als managementtool, bedacht om grote organisaties te kunnen besturen. Het ging erom mensen in te delen, te controleren of iedereen deed wat er van hem verwacht werd. Niet om mensen ergens goed in te laten worden of om werk betekenisvol te maken. Gewoon om te organiseren.
En dat werkte, decennialang, omdat werk overzichtelijk was. Taken waren duidelijk, je deed wat er stond en daarna ging je naar huis. Maar ondertussen is werk veranderd. Het is complexer geworden, onduidelijker, er is geen handleiding meer voor wat je moet doen. En toch blijven we mensen stoppen in omschrijvingen alsof dat helpt.
Het resultaat is dat mensen zich klein maken tot wat op papier staat. Ze doen niet wat nodig is, maar wat verwacht wordt. Ze steken hun energie in het invullen van hun rol in plaats van in het oplossen van problemen. En langzaam verdwijnt wat ze ooit wilde worden onder wat ze nu moeten zijn. Ze zijn nee-zeggers geworden!
Want niemand komt 's ochtends naar zijn werk om een functie uit te voeren. Mensen komen om iets te doen dat ertoe doet, om ergens goed in te worden, om iets neer te zetten waar ze trots op zijn. Dat past niet in een omschrijving van twee pagina's met kernverantwoordelijkheden en competentieprofielen.